Leren van de hoop

door Marieke Maes

download in Epub-formaatdownload in PDF-formaat

Inleiding

In dit artikel zal ik ingaan op de vraag: wat is de betekenis van de theoloog in een geloofsgemeenschap als lerende organisatie in de hedendaagse samenleving?

Achter deze vraag liggen enkele vooronderstellingen of overtuigingen. Ten eerste dat de geloofsgemeenschap van betekenis is in de hedendaagse samenleving, ten tweede dat zij, om haar betekenis waar te maken, tenminste ook een lerende organisatie dient te zijn en ten derde dat de theoloog in dit leren een rol speelt. Deze vooronderstellingen zullen in dit artikel worden toegelicht. Daartoe zal worden ingegaan op de volgende vragen: wat zijn kenmerkende fenomenen van de hedendaagse westerse samenleving? Wat is betekenis van de geloofsgemeenschap in de hedendaagse samenleving? Waarom dient een geloofsgemeenschap een lerende organisatie te zijn om vandaag van betekenis te zijn? Hoe leert zij? Wat leert zij? Tot slot ga ik in op de vraag: wat is de betekenis van de theoloog binnen de geloofsgemeenschap als lerende organisatie? Welke kennis dient een theoloog te hebben, welke vaardigheden en welke attitude dient hij of zij te ontwikkelen? De betekenis van de theoloog zal gezocht worden in het perspectief van de hoop, waarvan de theoloog getuigt op grond van haar of zijn geloof.

Een ontmoeting.

Om te beginnen een verhaal. Laatst ontmoette ik een vrouw uit mijn parochie in een van de supermarkten in onze Amsterdamse buurt en zij vertelde over de middag die achter haar lag. Ze kwam net terug van een vergadering over problematiek in haar straat. Er wonen in haar straat zoveel mensen met psychiatrische aandoeningen dat de overige bewoners het eigenlijk niet meer aankunnen. Zij had deze situatie aangekaart bij de stadsdeelraad en de woningbouwvereniging, die haar vervolgens hadden uitgenodigd voor een gesprek over aanpak en oplossingen van de problemen. Na afloop hadden haar gespreksgenoten gezegd dat zij had gesproken vanuit het perspectief van de liefde en dat was andere taal dan - en een welkome aanvulling op de taal van de beleidsmakers.

Wij hadden het vervolgens over de problematiek die aanleiding was geweest voor deze vergadering. De psychische nood van zoveel bewoners in haar straat leek ons een fenomeen van de moderne tijd en van het leven in de grote stad.

Zij vertelde in dit verband wat regelmatige kerkgang voor haar betekent en hoe zij daardoor gevormd wordt. Ik bevestigde haar ervaring. Ook voor mij geldt dat ik word gevormd door te geloven, door te luisteren naar het woord van de Schriften, door te leren en vieren binnen een geloofsgemeenschap. De kleur die het dagelijks leven krijgt vanuit het kerkelijk jaar, het perspectief dat het leven krijgt in het licht van de verkondiging van de Schriften, ik zou het niet willen en kunnen missen. Zonder te participeren in liturgische vieringen en daar te luisteren naar de verkondiging zou ik een ander mens zijn.

In het verslag van ons gesprek zijn verschillende thema's van dit essay aan de orde gekomen. Ten eerste de fenomenen van de moderne samenleving, in dit geval psychische problematiek van veel mensen. Bestuursinstanties die worden aangesproken op de gevolgen daarvan, maar die te weinig in handen hebben om de problematiek op te kunnen lossen. De leerschool van de geloofsgemeenschap, die een bijdrage kan leveren aan het oplossen van de problematiek, zoals uit het compliment van de beleidsmakers aan mijn gespreksgenoot bleek. En het toeval dat ze onmiddellijk na haar gesprek mij ontmoette, van wie zij weet dat ik niet alleen als geloofsgenoot, maar ook als theoloog beroepsmatig in haar verhaal ben geïnteresseerd. In ons gesprek werd een aanzet gegeven voor een antwoord op de vraag naar de betekenis van de theoloog.

Een seculiere tijd

De grote studie van Charles Taylor, A secular Age, (Taylor 2007, Nederlandse vertaling, 2009) geeft mij handvatten om de fenomenen te interpreteren, die in bovenstaand gesprek naar voren komen. Taylors onderzoek wordt gemotiveerd door het verlangen de vragen en dilemma's van de geseculariseerde samenleving te begrijpen. In zijn studie beschrijft hij daartoe die ontwikkelingen vanaf de Middeleeuwen die hebben geleid tot de hedendaagse samenleving, vooral in West Europa en Noord Amerika, om zo antwoord te vinden op de vraag: hoe is het mogelijk dat in de Middeleeuwen het vrijwel onmogelijk was om niet in God te geloven, terwijl het nu een keuze is, en niet de gemakkelijkste? (Taylor, 2007,25; 2009,71)

Taylor geeft drie betekenissen van secularisatie: ten eerste wordt onder secularisatie de scheiding van kerk en staat verstaan. Ten tweede betekent secularisatie het verdwijnen van God uit de openbare ruimte. De derde betekenis van secularisatie is het fenomeen dat het geloven in God een keuze is geworden en niet de gemakkelijkste. Deze betekenissen hangen met elkaar samen. Taylor gaat vooral in op de laatste betekenis van secularisatie.

Kenmerkend voor de moderne geseculariseerde samenleving is een wijd gedeelde overtuiging, die Taylor aanduidt als 'moderne morele orde' en het 'immanente kader'. Het immanente kader houdt in dat elke mogelijkheid tot transcendentie wordt afgewezen. De moderne morele orde wordt vooral bepaald door het paradigma van wetenschap en techniek. Kenmerkend voor het immanente kader en de moderne morele orde is dat een gemeenschappelijk ethisch profiel lijkt te ontbreken. Met andere woorden: er is geen gemeenschappelijk verhaal van waaruit normen en waarden worden gemotiveerd.

In dit seculiere paradigma blijven vragen naar zin en betekenis open. Hoewel de moderne morele orde geen gemeenschappelijk verhaal heeft waarin waarden kunnen worden gefundeerd, vraagt zij toch wel om een bepaald soort morele houding, namelijk om een bepaald soort 'flinkheid'. De overtuiging dat dit nu eenmaal alles is wat er is, heb je met fierheid te dragen, anders word je beschouwd als een soft of zweverig persoon, als iemand die een looser is en het leven niet aankan. Die flinkheid klinkt bijvoorbeeld door in een titel van een boek van Jaap van Heerden: Wees blij dat het leven geen zin heeft. (van Heerden, 1999). Maar wat nu als ik daar helemaal niet blij om ben? Waar kan ik terecht met vragen naar zin en betekenis? Waar vind ik gehoor als ik aan de betekenisloosheid van mijn bestaan ten onder dreig te gaan? Dan staan er coaches, therapeuten en andere hulpverleners klaar die, als mijn ziektekostenverzekering het vergoedt of als ik het zelf kan betalen, mij zo goed mogelijk begeleiden in het omgaan met mijn gevoelens, vaak zonder inhoudelijk op de vragen te kunnen ingaan die mijn depressieve gevoelens veroorzaken.

De gevraagde flinkheid blijkt niet voor iedereen antwoord te zijn op vragen naar zin. Leven stelt mensen voor grote en wellicht onbeantwoordbare vragen naar de betekenis van het leven, dat eindig is en toevallig en waarin het gevoel van eenzaamheid, van mislukken, van er niet toe doen elke levensvreugde kan doven. In de moderne tijd zijn deze vragen en gevoelens voor veel mensen acuut. Hiertegenover kan de vraag opkomen of er in andere tijden dan geen psychische nood was. Dat is zeker wel het geval, uit talloze bronnen blijkt dat psychische nood van alle tijden is. De psychische nood in de moderne tijd lijkt echter zijn eigen kenmerken te hebben, zoals ook in de studie van Taylor wordt beschreven. Vragen naar betekenis van het leven, de vraag wie ik eigenlijk ben, problemen rond de eindigheid van het leven en problemen rond eenzaamheid, zijn fenomenen die in de hedendaagse samenleving anders lijken te worden beleefd dan in andere tijden. In tijden waarin religieus geloof vanzelfsprekender was, werd de vraag naar de betekenis van het leven ingebed in de religieuze cultuur en kwam aan de orde binnen de geloofsgemeenschap. Er werd van een mens niet gevraagd moedig zijn of haar eindigheid en contingentie onder ogen te zien en te verdragen. Er werd niet gevraagd te belijden dat het bestaan zinloos is. Vragen die opkomen door de contingentie van het bestaan werden ingebed in verhalen over oorsprong en bestemming. De wereld werd geduid in verhalen, de werkelijkheid werd geïnterpreteerd als schepping, het leven als een tocht door de woestijn op weg naar het Koninkrijk van God. Het individuele leven werd geïnterpreteerd in het licht van die verhalen. Daardoor werd een identiteit aangereikt met een doel om voor te leven en bijbehorende normen. Verlangen werd gevormd in het licht van de verhalen uit de Schriften. Ricoeur beschrijft deze beweging in zijn trilogie Temps et récit. (Ricoeur, 1983,1984,1985) Door mimesis wordt contingentie omgevormd tot een verhaal, waarin mijn zoeken naar identiteit vorm en richting krijgt in het licht van de hoop op het Koninkrijk. Horen tot een geloofsgemeenschap was tegelijk een remedie tegen eenzaamheid.

De betekenis van de geloofsgemeenschap

De beschrijving van de niet geseculariseerde wereld geeft de richting aan waarin het antwoord op de vraag naar de betekenis van de geloofsgemeenschap gezocht wordt. De actuele vraag is: wat is de betekenis van de geloofsgemeenschap binnen de hierboven beschreven moderne levenshouding, het paradigma van de moderne morele orde? Mijn overtuiging is dat de geloofsgemeenschap eigen mogelijkheden heeft waar het gaat om het zoeken naar zin en betekenis van moderne mensen. Ik som hieronder twee met elkaar samenhangende betekenissen op, waarbij ik ook uitga van mijn eigen ervaring.

Ten eerste wordt idealiter binnen de geloofsgemeenschappen religie in zijn openbarende betekenis aanwezig gesteld. Religie vindt er onderdak. Er lijkt in deze tijd een verlegenheid te bestaan ten aanzien van het omgaan met religie. (Welten, 2016.) Ruud Welten stelt dat we de toegang tot het fenomeen religie kwijt dreigen te raken, juist doordat we dit fenomeen willen duiden vanuit de begrippen van de moderniteit. Wanneer men het fenomeen religie niet begrijpt, heeft men ook geen toegang tot het eigen verleden en geen toegang tot beweegredenen van het grootste gedeelte van de wereldbevolking. Welten stelt zelfs dat men geen toegang tot humaniteit heeft als men religie niet begrijpt. (Welten 2016, 18, 28) Het niet begrijpen van religie is een gevaarlijke zaak.

Ten tweede: binnen de traditie van het christendom bestaat een rijkdom aan mogelijkheden om met vragen naar zin om te gaan. In de verkondiging op grond van de schriften biedt zij perspectief en door mimesis van deze verhalen biedt zij handvatten tot omvorming van het leven, in het licht van betekenis.

Hier liggen twee belangrijke taken voor geloofsgemeenschappen in de moderne tijd. De eerste taak is wat ze altijd al heeft gedaan, maar die in de moderne tijd een nieuwe aanpak vraagt: een plaats bieden aan religie en het religieuze verlangen behoeden. Ten tweede een praxis ontwikkelen voor de ontmoeting tussen verschillende gestalten van religie. In de praktijk van ontmoetingen met anderen, wordt ook een praxis ontwikkeld van gesprek met andere geloofsovertuigingen. Binnen die praxis kan het gesprek over de toekomst van religie, zo mogelijk als bron van vrede en humaniteit worden gevoerd.

De geloofsgemeenschappen zijn in principe toegerust om deze taken uit te voeren. Zij hebben een rijke traditie waar het gaat om openbarende verhalen te actualiseren in de eigen tijd. Alle eeuwen door hebben mensen zich afgevraagd hoe zij de taken leren, vieren en dienen in hun eigen tijd gestalte konden geven en dit heeft geleid tot nieuwe vormen van geloofsverkondiging en een voortdurende vernieuwing van de betekenis van kerk. Om de taken, waarvoor geloofsgemeenschappen vandaag staan, te kunnen vervullen, dienen de juiste vragen te worden gesteld. Wat betekent religie? Hoe dient de geloofsgemeenschap mensen in de huidige tijd? Hoe gaan wij om met vragen naar zin en betekenis?

Het kunnen stellen van goede vragen verwijst naar een geloofsgemeenschap als lerende gemeenschap. De vragen die hierboven zijn genoemd en de taken die zijn aangewezen vragen om leren, want het zijn geen vragen waarop een makkelijk antwoord afdoend kan zijn. Voor antwoorden op deze vragen is studie nodig, maar ook dialoog, de praxis van geloofsgemeenschap.

Het woord praxis is enkele keren gevallen. Het omgaan met vragen van de moderne tijd vraagt naast reflectie om een praxis. Om de taken te kunnen verrichten dient de geloofsgemeenschap een open gemeenschap te zijn, open voor transcendentie en betekenis, open voor God en open voor de naasten, dat betekent open voor vragende en zoekende mensen.

Dit klinkt misschien eenvoudig en voor de hand liggend, maar in de praktijk van een geloofsgemeenschap blijkt openheid voor reflectie, leren en dialoog vaak een wensdroom en een moeilijke opgave. Geloofsgemeenschappen leven niet op een eiland en hebben zelf te maken met de gevolgen van secularisatie. Tengevolge hiervan wordt de openheid op alle mogelijke manier bedreigd. Die bedreigingen komen van verschillende kanten.

Ten eerste: opgemerkt is dat geloven in een geseculariseerde samenleving een keuze is en niet de gemakkelijkste. Horend tot een geloofsgemeenschap kan je door buren, familieleden en collega's beschouwd worden als iemand die niet helemaal van deze tijd is, als iemand dus die het de moed ontbreekt om het leven in zijn betekenisloosheid onder ogen te zien. Vanwege deze depreciatie, dit voortdurende gevoel je te moet verantwoorden voor je keuze, dreigt het gevaar dat geloofsgemeenschappen naar binnen gerichte gemeenschappen worden, een soort reservaten, omdat zij in de moderne samenleving hun gelovige identiteit moeilijk kunnen tonen. In tegenstelling tot triomfalisme van vroeger tijden leeft in geloofsgemeenschappen soms het gevoel dat zij er helemaal niet meer toe doen, mede ten gevolge van de secularisatie in de tweede betekenis, het verdwijnen van verwijzingen naar religie uit de openbare ruimte.

Ten tweede: geloofsgemeenschappen in het Westen hebben vandaag over het algemeen te kampen met een verouderend en teruglopend aantal leden en veel materiele zorgen. Wanneer je als vrijwilliger je wilt inzetten voor de gemeenschap, betekent dat vaak veel taken en eindeloze vergaderingen in het kader van kerksluitingen en fusies. Zo kan de energie en inspiratie opdrogen en weet je als lid van een geloofsgemeenschap eigenlijk niet meer wat een geloofsgemeenschap onderscheidt van andere instellingen, bedrijven en verenigingen.

Ten derde: in de praktijk blijkt het helaas vaak moeilijk als nieuwkomer tot een geloofsgemeenschap te gaan horen. De gemeenschap neemt vaak een afwachtende en angstige houding aan ten opzichte van nieuwkomers. Een voorbeeld: op vakantie in Frankrijk stonden wij een keer voor de gesloten deur van een kerk te wachten om de viering bij te wonen. Toen de koster en pastoor arriveerden, hoorden wij de eerste aan de laatste vragen: "wat willen die mensen?"

Het vraagt openheid en moed om de brug te slaan tussen de taal en leefwereld van de moderniteit en de traditie. De leden van de geloofsgemeenschap zouden daartoe moeten worden toegerust. Gezien de bedreigingen van de openheid van een geloofsgemeenschap is het van belang dat zij lerende gemeenschappen zijn, want juist leren, in al zijn aspecten, kan behoeden opgesloten te raken in de eigen club, in de eigen zorgen en in het eigen gelijk.

Geloofsgemeenschap als lerende gemeenschap

Wat maakt de geloofsgemeenschap tot lerende gemeenschap? Noodzakelijke voorwaarde voor het leren in de geloofsgemeenschap is dat het gedragen wordt door een 'hermeneutisch bewustzijn'. Wat wordt hieronder verstaan? In het woord 'hermeneutiek' vinden we de naam Hermes. Hermes was in de Griekse mythologie de god die boodschappen van de goden aan de mensen bracht. Hermes was een tolk. Een hermeneutische bewustzijn is een bewustzijn of een gemoed dat weet heeft van grenzen. Ik ben als mens afhankelijk van het ontvangen van een boodschap, van tekenen. De tekenen die ik ontvang vragen vervolgens om interpretatie. De kennis die door interpretatie verkregen wordt is altijd voorlopige kennis. In een geloofsgemeenschap die een hermeneutische gemeenschap is worden tekenen ontvangen, worden ze gezamenlijk geïnterpreteerd en wordt een omgangsvorm geleerd om met de voorlopige kennis, die interpretatie is, om te kunnen gaan.

Daartoe is ook een biddende houding nodig, omdat in het bidden het denken gericht wordt. De eigen intentionaliteit van het bidden heeft Willem Jan Otten tot een nieuw genre doen besluiten in zijn eigen poëzie en in die van anderen, de gerichte gedichten (Otten, 2011). In het bidden ligt ook het vertrekpunt voor de openheid met de noden van de wereld. Het lijkt misschien paradoxaal, maar in het bidden wordt de eerste stap gezet naar de lerende houding.

De taak van de theoloog

In de schets van de geloofsgemeenschap als lerende en biddende gemeenschap en de gevaren die haar bedreigen, komt ook de taak van de theoloog naar voren en de vaardigheden, kennis en attituden die hij of zij nodig heeft. De geloofsgemeenschap als lerende gemeenschap getuigt van de hoop die in haar leeft. Door de verkondiging van het evangelie, door onderwezen en gevoed te worden door Schrift en traditie blijft de gemeenschap in staat haar taken te vervullen. Lerende gemeenschap zijn betekent leven in de cultuur van de hoop. Onder de cultuur van de hoop versta ik open staan voor het Koninkrijk van God dat Jezus verkondigde. Dit Koninkrijk is midden onder ons (Lucas 17:21). en brengt zo uitzicht. Dit zien we vooral gebeuren aan grenzen. Waar het leven zijn grenzen bereikt, wordt een theoloog gevraagd te getuigen van hoop. Daar komen in eerste instantie, ook in de moderne tijd, de vragen op waar een theoloog mee moet kunnen omgaan. Wat zeggen we tegen ouders die een kind verliezen? Wat zeggen we tegen mensen die worstelen met depressie? In het licht van welke betekenis kunnen we hier nog iets zeggen? Voorbeelden van de betekenis van de hoop in deze situaties worden beschreven in Hoop als helpende hand (Kirkels, V en Han Rouwenhorst. red. 2003). In deze bundel geven verschillende auteurs, afkomstig voor het merendeel uit medische wereld, hun visie op de betekenis van hoop in hopeloze situaties van chronische ziekte, ongeneeslijke psychiatrische aandoeningen, de situatie ook van cliënten van het Leger des Heils, die vaak te kampen hebben met meervoudige problematiek van dakloosheid, schulden, verslaving en psychiatrische aandoeningen, problemen die elkaar versterken. De theoloog zal vaardig moeten zijn in het omgaan met grenzen.

De attitude, vaardigheden en kennis van de theoloog zijn vooral hermeneutisch. Vaardigheden: het kunnen aanvoelen en interpreteren van de eigen tijd. Door studie de Schriften en Traditie kunnen lezen en interpreteren. Schriften en Traditie kunnen uitleggen in en voor de moderne tijd. Attitude: hoop en geloof zullen de dragende grond zijn in haar of zijn beroepshouding en spiritualiteit.

Binnen het immanente kader van de geseculariseerde samenleving is de theoloog toegerust het perspectief van hoop op het Koninkrijk open te houden. Daarmee wordt het immanente kader opengebroken. In hoop ziet de theoloog uit naar de komst van het Koninkrijk. In psalm 130 vergelijkt de dichter zich met een wachter die in de nacht uitziet naar de morgen. Zoals deze dichter vangt de theoloog fenomenen van betekenis op, het licht van de morgen, en verkondigt ze. De theoloog doet dit binnen een geloofsgemeenschap. Het moge duidelijk zijn, dat de geloofsgemeenschap deze taak, het opvangen, aan het licht brengen en behoeden van fenomenen van betekenis in de moderne tijd, niet zal kunnen volbrengen als vrouwen daarbinnen niet een volwaardige plaats en erkenning krijgen. Zonder de inbreng van vrouwen zal er te veel betekenis gemist worden.

Ik eindig ook weer met een verhaal. De parochie waartoe ik behoor heeft in een goed bezochte winkelstraat in Amsterdam een winkel geopend waaraan een klein bezinningscentrum is verbonden. Er worden producten verkocht, gesprekken gehouden, er zijn regelmatig concerten, exposities en cursussen. Laatst kwam daar een vrouw binnen met het verzoek bij ons te exposeren. Nu wordt die vraag wel vaker gesteld, en meestal zijn de aangeboden kunstwerken niet geschikt om bij ons te exposeren, dus enigszins afwachtend ging ik op bezoek in haar atelier. Daar werd ik overrompeld door haar schilderijen. Wat ik zag op haar doeken was het moderne leven in de stad, in verbondenheid met het Koninkrijk.

Hierboven heb ik hopelijk duidelijk gemaakt wat ik denk dat hoort tot de competenties van de theoloog om dienstbaar te zijn aan de geloofsgemeenschap als lerende gemeenschap: de attitude van de hoop die ten grondslag ligt aan de hermeneutische competentie, de kennis van Schriften en traditie, communicatieve vaardigheden. De vraag aan een lector theologie is: waar in de moderne samenleving worden getuigenissen van hoop gevonden? Doel van onderzoek naar deze getuigenissen van hoop is er van te leren waar een studie theologie levensbeschouwing over dient te gaan en wat daarin aan de orde moet komen.

Literatuur

  • Kirkels Vincent en Han Rouwenhorst, (red.) (2003) Hoop als helpende hand. Een medische verkenning met filosofische en pastorale kanttekeningen. Annalen van het Thijmgenootschap, jaargang 91, aflevering 2. Valkhof Pers, Nijmegen.
  • Otten, Willem Jan, (2011) Gerichte gedichten, Van Oorschot, Amsterdam.
  • Ricoeur Paul, Temps et récit, I (1983), Temps et récit II (1984), Temps et récit III (1985) Editions du Seuil, Paris.
  • Taylor Charles, (2007) A secular Age, The Belknap Press of Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts and London.
  • Taylor Charles, (2009) Een seculiere tijd, Lemniscaat, Rotterdam.
  • Welten Ruud, (2016) Als de graankorrel niet sterft. Een filosofische archeologie van openbaring. Klement, Zoetermeer.


Marieke Maes

Docent filosofie en Nieuwe Testament FHTL, promoverende op Paul Ricoeur.